im·pro·vi·se·ren (ov.ww., ook abs.)


1 een mondelinge of instrumentale voordracht houden, die op het ogenblik zelf is bedacht


2 met de op dat moment beschikbare middelen werken


3 variëren op een bekend thema




pro·du·cent (de ~ (m.), ~en)


1 iem. die produceert







Welkom bij de Improducenten

uw partner in improvisatie